Geopend voor het publiek van 9.00 tot 12.00 u en van 14.00 tot 19.00 u in de zomer; van 9.00 tot 12.00 u en van 14.00 tot 17.00 u in de winter. Elke zondag om 11.00 u wordt de eucharistie gevierd
De eerste kerk zou in de 6de eeuw zijn opgetrokken, onder het bewind van Theodoric, regent van het koninkrijk van de Wisigothen. In de eerste authentieke akte wordt vermeld dat deze kerk dateert uit 925. Op donderdag 12 juni 1096 kwam paus Urbanus II naar Carcassonne en zegende de stenen op de werf van de kathedraal Saint-Nazaire-et-Saint-Celse. Het bouwwerk werd voltooid tijdens de eerste helft van de 12de eeuw. Alleen het schip en de zijschepen van de romaanse kathedraal, die ook een kloostergang telde, zijn bewaard gebleven. Het gotische dwarsschip en koor werden gedeeltelijk opgehoogd op de plaats waar zich vroeger het romaanse koor bevond, en dit vanaf 1269, toen Lodewijk IX de bisschop en het kapittel het recht gaf om de kerk met twee ‘cannes’ in de richting van de openbare weg uit te breiden. De gotische aanpassingswerken werden in de 14de eeuw voltooid onder het episcopaat van Pierre de Rochefort (1300-1321) en Pierre Rodier (1323-1330). Het gebouw, dat meermaals werd omgebouwd, verloor in 1803 zijn statuut van kathedraal aan de Eglise Saint-Michel in de Bastide. In 1898 kreeg het van paus Leon XIII de titel van basiliek. (Cl. M.H. 1840)

Deze poort ter hoogte van de derde travee van de noordelijke zijbeuk, dateert waarschijnlijk uit het tweede decennium van de 12de eeuw. Ze bestaat uit 5 boogrondingen die aan beide kanten overvloeien in 5 zuiltjes met kapitelen. Alleen de twee kapitelen die zich het dichtst bij de poort bevinden zijn origineel; het geheel werd door Viollet-Le-Duc opnieuw uitgevoerd op basis van de beschadigde elementen die in de glyptotheek worden bewaard.

Het romaanse schip van de basiliek Saint- Nazaire bestaat uit zes traveeën. De gordelbogen van het gebroken tongewelf komen, net als de rondbogen van de zijbeuken, op ronde of vierkante zuilen neer. Het donkere schip werd aanvankelijk slechts verlicht door smalle vensters in de muren van de zijbeuken en door kleine occuli in de westelijke muur. De decoratie van de kapitelen is gevarieerd en bestaat uit diverse motieven: damborden, palmetten, lofwerk. Het schip vloeit met een perfecte architecturale harmonie over in het gotische dwarsschip. Het romaanse koor werd omstreeks 1270 vervangen door een gotisch dwarsschip. (Cl. M. H. 1840)
Het dwarsschip en het koor van de kathedraal Saint-Nazaire werden tussen 1269 en 1330 opgetrokken op de plaats waar zich het romaanse koor bevond. Elke arm is 36 meter breed en bestaat uit 3 rechthoekige traveeën die in het oosten uitlopen in 3 kapellen met een platte koorafsluiting. Deze kapellen kregen grote kerkramen waarvan sommige uit de 14de eeuw dateren.
Op de zuidelijke rozet van het gotische dwarsschip van de kathedraal van Carcassonne is het wapen van de bisschop Pierre de Rochefort (1300-1321) afgebeeld. De kleuren zijn lichter dan die van de noordelijke rozet; de schakeringen neigen naar het paars. In de middelste vierpas prijkt een Christus in majesteit. Op de vierpassen daaromheen worden dieren afgebeeld die de vier evangelisten en de kerkvaders afbeelden. Petrus is te herkennen aan de sleutels van hemel en aarde en Paulus aan zijn zwaard. De twee heiligen worden ook afgebeeld in de kapel waar zich het graf van Pierre de Rochefort bevindt. (Cl. M. H. 1840)
Het koor wordt verlicht door vijf kerkramen, met in het midden het leven van Christus en aan weerszijden twee kerkramen uit de 16de eeuw. Op de zuilen van de apsis en het koor prijken 22 standbeelden met de apostelen, Christus, Maria en verschillende heiligen. In de loop van de 17de eeuw werd de kathedraal verschillende malen herbouwd. Bisschop Louis Joseph de Grignan (1679 - 1722) liet zich inspireren door Italiaanse voorbeelden en bouwde een koor ‘in romaanse stijl’ met een marmeren altaar, omringd door een smeedijzeren hek met zijn wapenschild. (Cl. M. H. 1840)

Het graf van bisschop Guihèm Razouls of Radulphe (1255 - 1266) werd in 1839 herontdekt door Jean-Pierre Cros-Mayrevieille, in de kapel die de prelaat in 1260 had laten bouwen. Op de westelijke muur prijkt in een nis zijn beeltenis in half-reliëf. De bisschop, gekleed in zijn gewaad, houdt in de ene hand zijn staf vast, waarvan de krul ontbreekt, en geeft met zijn rechterhand de zegen. Daaronder, onder een fries met bladwerk, bevinden zich drie regels met informatie over de dood van de bisschop en lofuitingen over zijn goedheid. Op het onderste gedeelte van de sarcofaag staat in reliëf de ceremonie van de absoute afgebeeld, met twaalf kanunniken rond het bed van de overledene, waaronder een bisschop die het lichaam besprenkelt en een vrouw die aan het bidden is. Een humoristisch detail: aan de linkerkant van het monument voegde de beeldhouwer een klein engeltje toe, dat staat te schaterlachen.
De bisschop Pierre de Rochefort (1300- 1321) was wellicht afkomstig van een ketterse familie uit de Montagne Noire. Onder zijn episcopaat kreeg de kathedraal Saint-Nazaire haar zuidelijke vensterrozet en werd het gewelf van het zuidelijke dwarsschip afgewerkt. Zijn graf bevindt zich in de kapel tussen het schip en de het noordelijke transept in. De bisschop wordt afgebeeld op de westelijke muur, omringd door de aartsdiaken van het bisdom Pons de Castillon en de aartsdiaken Gasc de Rochefort. Boven de triptiek bevinden zich drie frontons. De bisschop zegent met zijn rechterhand en reikt zijn gelovigen zijn staf aan. Op de sokkel staat de begrafenisstoet afgebeeld met dertien beeldjes van priesters, kanunniken en klerken. In de grafsteen op de vloer, die in de 19de eeuw werd gerestaureerd, prijkt het wapen van de bisschop. De overledene wordt omringd door engelen.

Het gaat om een fragment van een bas-reliëf waarop een beleg wordt afgebeeld, vastgemetseld in de westelijke muur van het dwarsschip. De steen dateert uit de eerste helft van de 13de eeuw; de aanvallers proberen een versterkte stad binnen de dringen. Er bestaan verschillende hypotheses over afbeelding op dit bas-reliëf, zoals die van de dood van Simon de Montfort, die omkwam voor de muren van Toulouse. Daarnaast bevindt zich een grafsteen die deel zou uitmaken van het graf van Simon de Montfort. Viollet-le-Duc en zijn opvolgers stelden de authenticiteit van deze archeologische overblijfselen echter in vraag.
De kapel van Maria, in de noordelijke arm van het dwarsschip, wordt verlicht door een kerkraam waarop de boom van Jesse is afgebeeld, een allegorie van de voorouders van Christus. Dit glasraam, dat van beneden naar boven wordt gelezen, bestaat uit 24 panelen met telkens één figuur. Onderaan in het midden ligt de slapende Jesse. Uit zijn lende ontspruit de stamboom met de zeven belangrijkste voorvaderen van Christus: Jesse’s zoon David, Salomon, Roboam, Abias, Azam, Josafat en Joram. Ter hoogte van elke voorvader kijken de profeten toe hoe de verschillende generaties steeds dichter in de buurt komen van de komst van de Messias. In het timpaan van het venster verschijnt Christus in majesteit tussen Maria en de apostel Johannes in, terwijl hij toeziet op de Verrijzenis.
De kapel Sainte-Croix, in het zuidelijke dwarsschip, wordt verlicht door een kerkraam waarop de levensboom is afgebeeld. Dit thema is afkomstig uit de meditaties van de franciscaan H. Bonaventura (1221-1274) over de deugden en weldaden van de Verlosser. De takken rond de stam stellen de twaalf deugden voor. Boven aan de boom wordt Christus afgebeeld, genageld aan een rood kruis dat is bevestigd aan de groene stam van de boom. Op die manier wordt dit tevens de boom van het kruis, van het Eeuwige Leven. Bij de restauratie van het kerkraam in 1853, werd onderaan links de ark van Noach toegevoegd en onderaan rechts de Ark van het Verbond, waaruit de Boom des Levens van de erfzonde ontsproot. Oorspronkelijk ontstond de Levensboom niet uit het paradijs noch uit de erfzonde, maar uit de Kruisiging van Christus. Op het onderste gedeelte zouden de apostel Johannes en de Maagd Maria zijn afgebeeld.

Na de godsdienstoorlogen ging de periode van de katholieke reformatie in. Bisschop Vitalis de Lestang (1621- 1652) liet een orgel bouwen door Crespin Verniole. Uit deze periode is het middelste gedeelte van de kast bewaard gebleven, uitgevoerd door twee meubelmakers uit Carcassonne: Jean Rigail en Jean Melair. Het orgel werd tussen 1680 en 1687 gerestaureerd door Jean de Joyeuse, en vervolgens tussen 1772-1775 uitgebreid door Jean-Pierre Cavaillé. Van 1900 tot 1904 bracht Michel Roger wijzigingen aan in het instrument, maar liet de windladen en het grootste deel van het pijpwerk intact. Het hele orgel werd tussen 1982 en 1985 gerestaureerd door Barthélemy Formentelli, die originele stukken gebruikte en de nieuwe pijpen naar het voorbeeld van de oude uitvoerde. (Cl. M. H. 1840)
Claude Marquié – Le patrimoine des communes de la Méridienne Verte – Editions Flohic – 2000.
Site Officiel de l'Office de Tourisme et de la ville de Carcassonne - www.carcassonne.org
Site Officiel de l'Office de Tourisme et de la ville de Carcassonne - www.carcassonne.org